In de buurt van de Abdij van Westmalle woonde gedurende een aantal jaren de het Frans schrijvende auteur André Baillon om er rust te vinden, want deze man leidde een getormenteerd leven. Hij getuigt over dat deugddoende verblijf en over zijn ontmoetingen met anderen, onder wie ook de trappisten, in het boek Op klompen (En sabots). Tegelijk hangt hij een begripvol beeld op van de Kempense mens en zijn natuurlijke omgeving.
Het dorp heet WESTMALLE. Voor archeologen zal die naam wel een betekenis hebben. Ik vertrek bij de kerk. Urenlang dwaal ik rond, nu eens onder sparren, dan over heidevelden en dan weer langs vennen. Ik word moe, want het is er een en al zand. Ik kom iemand tegen: Kunt u me zeggen waar ik ben? In Westmalle, meneer. Ik loop een andere richting uit; rechts of links, dat doet er niet toe. Ik zie andere vennen, andere heidevelden, andere sparren, urenlang, en steeds ploeg ik door hetzelfde zand. Tot ik weer iemand tegenkom: Kunt u me zeggen waar ik hier ben? In Westmalle, meneer. En die molen ginds? Westmalle, meneer. En dat boompje helemaal in de verte? Dat is geen boompje , meneer. Dat is een kerk. Daar houdt Westmalle op. Maar het is een heel eind lopen. Als Westmalle volgebouwd was, zou het een grote stad zijn. Gelukkig staan er geen huizen. Alleen boerderijen, en ze vallen net zo weinig op als de insekten die de kleur van de heide hebben aangenomen. Waar ze zich ook verstoppen, je ziet ze niet. Toch heb je er een dorpskom, met het huis van de dokter en dat van een rentenier. Je hebt de kerk met haar klokketoren, het trappistenklooster, de schuur waarin de gemeenteraadsleden vergaderen. Je hebt de oude weg: twee karresporen tussen de bremstruiken. Verderop ligt de nieuwe geplaveide weg, onder hoge eiken, die twee aan twee in de rij lopen en elkaar bij de takken vasthouden. Je hebt een boemeltje dat er helemaal langs rijdt, zes keer per dag, ongetwijfeld om het uur aan te geven. Je hebt er zelfs een paar mannen: ik, de postbode op zijn fiets, een monnik in zijn wijngaard, een boer op zijn akker. En je hebt er vrouwen: vrouwen die hout sprokkelen, vrouwen die hun ketel aan de kook brengen, vrouwen die Oooh!roepen als ze in de stal hun koeien melken. Je hebt er ook veel ozon in de lucht, weet de onderwijzer me te vertellen. Ik heb die scheikundige maar niet geantwoord dat hij kon oprotten met zijn ozon.