Jozef Simons (1888-1948) werd in Oelegem geboren (Kerkstraat 15). Hij verwierf onder meer bekendheid als tekstschrijver van bekende liederen als Kempenland, Susa Nina, Als de brem bloeit, Heimwee doet ons hart verlangen enz. Bekende prozawerken van hem zijn Eer Vlaanderen vergaat, Bonifacius Suikerbuik, De Danstent, Dientje Goris, Een sant in zijn land e.a. Hij schreef ook reisverhalen.
t Was maandag na Beloken Pasen en Theo – t kosterke, zeiden de mensen – had de kerk gekeerd en trok beide vleugels van de zware portaaldeur één voor één dicht. Nog jong was hij, pas tweeëntwintig; een kunstenaarskop, waarbij borstel en emmer niet passen wilden. t Had hem gespeten, toen hij, bij de dood van zijn vader, nu vijf jaar geleden, van de kostschool naar huis werd geroepen en hij zijn vader opvolgen moest, waar hij nooit voor gevoeld had. Met de tijd sleet het wel, doch steeds was daar de oude drang… Hij had zich voorbereid voor het onderwijzersexamen en was voor de middenjury geslaagd. Als onderwijzer op een vreemd dorp zou hij zijn eigen weg kunnen gaan…
Neuriënd klom hij de torentrap op, om de klok op te winden; boven zijn hoofd vlogen lawaaierig kauwen hun nest af, de galmgaten uit.
Terwijl het raderwerk van de klok piepte en ratelde, schreeuwde ook een uil krassend op zijn balk, en spookachtig glinsterden in een donkere hoek zijn twee karbonkeloogjes.
De slinger kriepte weer zijn eentonig tik-tak, tik-tak en Theo stiet een torenvenstertje open.
In de schemering lag Heizand met zijn kronkelstraatjes, zijn rode daken met rokende schoorstenen, zijn kleine net-afgebakende tuintjes met kerse- en perzikbomen in witte en rode bloesem, zo klein, van daarboven uit gezien, als een kinderspeeldoos. Verderop deinden de grote percelen land, beurtelings opschietend groen en bruin-omgeploegde aarde, soms gescheiden, waar het natte grond was, door een rij canadas met wemelende takken, elders door een uitbottende kant houtgewas. Een boer reed met de ploeg op de slede de hoeve binnen, de molenaarsknecht rolde de zeilen van de molen op.
Hier kon Theo lang blijven turen, tot de tinten van het zonnelicht, die het grote dennenbos aan de westerkim in gouden gloed hadden staan, valer en valer werden, tot een koelere lucht langs zijn wang en door zijn haren zoefde, en de torens uit de omliggende dorpen elkaar met het avondangelus goedenacht toewensten.