Als jong meisje bracht Maria Rosseels een groot gedeelte van haar jeugd door in Oostmalle, waar haar vader postmeester was. Zij woonde er in een woning aan de Rooistraat, vlak bij het Domein de Renesse en kende het park en het kasteel heel goed. In Dood van een non heet het parkdomein Trois Fontaines, een plek waar het hoofdpersonage – net als de schrijfster zelf – mooie herinneringen aan overhoudt.
Het kasteel waarin wij woonden en dat eens de trots was geweest van de uit Frankrijk geëmigreerde Arnaulds, lag grotendeels in puin. en dat konden, helaas, de Klarissen nièt verhelpen. Slechts de westelijke vleugel was bewoonbaar gebleven; in de overige gedeelten huisden de uilen, vleermuizen en spoken. Maar ook de bewoonde vleugel verkeerde in bouwvallige toestand; een oude beeldhouwer, die mijn vader op een winteravond uit de dorpssloot had opgevist, werkte weliswaar aan de restauratie van zolderingen; schouwen en trapzalen; doch gezien hij zelden nuchter was, schoot de arbeid weinig op.
De warande rond het kasteel leek meer op een ondoordringbaar oerwoud dan op de lusttuin die zij eens was geweest. Onkruid overwoekerde de wandelpaden; in de sinds jaren verwaarloosde priëlen en berceuses kon men nauwelijks nog rechtop staan, en in de bekroosde vijver tierde welig het riet. Wij vonden het een pracht van een park, waar de dingen tenminste mochten groeien zoals ze groeien wilden; fazanten en patrijzen brodden er ongestoord hun eieren uit, de eekhoorns waren zo tam dat ze zich ttot vlak bij het bordes waagden - want ze zijn nieuwsgierig als kleine kinderen; er nestelden vogels in de bomen, van allerlei slag en pluimage, er bloeiden wilde bloemen zoals men ze in geen enkele beschaafde tuin vindt - God weet van waar hun zaad eens was gekomen. Hoog boven die ongebonden schoonheid ritselden de populieren, ruisten de zilverberken en elzen, geurden de linden; de beuken waren als peilers van middeleeuwse katedralen : hoog en slank, met breed vertakte kruinen. In de verlaten, met gras en mos begroeide hoenderhof paradeerde een stel pauwen die herinnerden aan onze vroegere glorie. Zij kondigden, met sierlijk openwaaiende staarten, de regenbuien aan, daarna langgerokken, klaaglijke kreten uitstotend die klonken als de naam van vele pausen: Leo! Leooooo!
Des avonds vloeide de warande vol mysterieuze geluiden als was zij bevolkt door onaardse en onzichtbare wezens, die kreunden of weenden of lachten om redenen die geen sterveling kon achterhalen. Het was een park waarin alles kon gebeuren en waarin, ongezien door mensenogen, ook vreemde dingen gebeurden. Wanneer, tijdens de zomermaanden, een onweer boven het dorp losbarstte, stonden wij bij het raam en keken gefascineerd naar de bliksemschichten die, verblindend wit als een vlam van een acetyleenlamp, tot in de uiterste hoeken van de warande de duisternis wegbrandden; en we luisterden naar het dondergeschut dat aan- en wegrolde.
De warande was onze wereld waar niemand ons de les kwam lezen. De wet die er heerste, was de wet van de wildernis; maar van een paradijselijke wildernis waaruit de honger was gebannen - alleen de dood had zij nooit kunnen overwinnen; doch wijl uit de dood altijd opnieuw jong leven herboren werd, had hij zijn verschikking verloren.
De hoge stenen muur, die als een wal het park omsloot, was op vele plaatsen doorgezakt; de zware ingangspoort hing schots in haar hengels. Het deerde ons niet; we hadden het nooit anders geweten zodat, in onze kinderlijke verbeelding, het puin met de hagedissen, vleermuizen en uilen, en de kamige poort bij het dekor hoorden : alles leek ons even wonderlijk en schoon.
